Vakinhoudelijke eindtermen

B-2. Vakinhoudelijke eindtermen

Aan het einde van de bacheloropleiding kunnen de studenten:

1. Algoritmen en theorie

  • Voor specifieke problemen een geschikte oplossingsmethode in de vorm een algoritme bedenken. 
  • Abstracte datastructuren realiseren.
  • Verschillende realisaties met elkaar vergelijken v.w.b. efficiëntie. 
  • (On)berekenbaarheid van abstracte algoritmen analyse- ren en berekenbare algoritmen vergelijken m.b.t. complexiteit.
  • Methoden voor syntax- beschrijving en -herkenning van talen hanteren.
  • Operationele semantiek van programmeertaalconstructies beschrijven.
  • Correctheid van programma's beredeneren.

2. Programmeren

  • De programmeerparadigma's functioneel, imperatief en object-georiënteerd onderscheiden door voor elk paradigma karakteristieke programmeerconcepten aan te geven.
  • Deze toepassen in een concrete situatie.
  • (Paradigma-afhankelijke) programmeeermethodieken als top-down, bottom-up of object-georiënteerd gebruiken. 
  • Abstractiemiddelen selecteren bij het ontwerpen van klassen, methoden/functies en datastructuren.

3. Computersystemen en security

  • De opbouw van processoren, computers en bedrijfssystemen beschrijven.
  • De onderdelen van een computernetwerk herkennen en beschrijven op verschillende niveaus (van digitale schakelingen tot netwerken via programmeerbare machines en computers met bedrijfssysteem).
  • Concrete systemen ontleden in termen van een abstract standaard computermodel.
  • Situaties en omgevingen identificeren waarin security van belang is.
  • Security-doelen en technieken waarmee deze doelen kunnen worden gerealiseerd beschrijven en kunnen toepassen in een concrete situatie.

4. Informatie- en kennissystemen

  • Van een organisatie een informatiekaart opstellen. 
  • Gegevensmodellen realiseren als informatiesystemen. 
  • Methoden voor ontsluiting van gegevens selecteren en toepassen.
  • Herkennen van problemen waar AI-technieken kunnen worden toegepast.
  • Basistechnieken op het gebied van zoeken en leren beschrijven en toepassen in eenvoudige voorbeelden.

5. Wiskunde

Wiskundige structuren die de basis vormen voor verschillende informaticagebieden (groepentheorie, lineaire algebra, kansrekening, logica) kunnen herkennen en bijbehorende wiskundige concepten gebruiken om concrete structuren te modelleren. Informaticaproblemen herkennen die met wiskundige technieken kunnen worden opgelost. Wiskundige basistechnieken (in bovenstaande wiskundige structuren) toepassen en het resultaat terugvertalen naar de probleemsituatie.

6. Cyber security (voor track Cyber Security)

Securityproblemen en oorzaken daarvan analyseren. Technieken, richtlijnen en principes voor security beschrijven en toepassen. Daarbij naast technische ook persoonlijke en maatschappelijke aspecten zoals privacy, juridische consequenties en implementatie in organisaties afwegen.

7. Software science (voor track Computing)

Gevorderde functionele programmeertechnieken hanteren. Platformspecifieke applicaties voor ingebouwde computers (‘devices') realiseren. Semantiek van programmeertalen uitdrukken in geschikte formalismen. Gedrag van programma's analyseren via berekeningsmodellen en tools.

8. Data science (voor track Computing)

Technieken onderscheiden voor het extraheren van relevante informatie uit grote gegevensverzamelingen. Fundamentele zoekmethoden en hun verschillen uitleggen, zoek- algoritmen selecteren en implementeren.